elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: priesten

priesten , priesten , Op de felicitatie-dagen ter gelegenheid van een huwlijk, was het in vroeger dagen de gewoonte, dat de bruid in het voorhuis zat en daar de gelukwenschingen van alle de inkomenden ontving, welken daarop in de kamer doortraden doch haar zitten lieten; en hier moest de bruid blijven zitten, tot dat elk die verwagt wierd binnen was. Om dit bedrijf der bruid uit te drukken, zeide men, dat zij zat te priesten. Dit is mij door een zeer oude vrouw, die het nog geheugde, verhaald. – Iemand, die in gezelschap zeer stil zit en niet tot het gesprek toebrengt, wordt nog heden gezegd te zitten priesten. – Pristenter Gloss. germ. dilatatus, sich brusten, pralen, grosz sprechen, stoltz werden. Kan het een verbastering zijn van prijken bij Kiliaan dare se spectandum, of kan het komen van prootsch bij Kiliaan superbus? Dit laatste heet in goed Deventersch pruts.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal