elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: reppelen

reppelen , reppelen , Klauteren. Schei tòch ü̂̂t met dat reppelen op d(i)ee wagen! Gron. repelen. Dr. repen. Afl. gereppel.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
reppelen , reppelen , Klauteren. Schei tòch ü̂t met dat reppelen op d(i)ee wagen! Gron. repelen. Dr. repen. Afl.: gereppel.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
reppelen , reppelen , stoeien
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
reppelen , reppelen , De daad van den beer of ’t mannetjes verken in ’t paaren. De beer reppelt, de hengst klimt, de bul springt, de hond speelt.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
reppelen , reppelen , Klauteren zonder in de hoogte te komen. Dit is, hoe gebrekkig, de beste omschrijving die mij invalt. De kinderen reppelen dikwijls op de stempels van de stoelen.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
reppelen , reppelen , 1. donderjagen. 2. beklimmen van een tochtige koe door soortgenoten.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
reppelen , reppelen , reppelen, ereppeld , 1. donderjagen; 2. beklimmen van soortgenoten door tochtige koe.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
reppelen , reppeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Coe) = ongedurig bewegen van een kind op vaders knie
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
reppelen , reppeln , 1. klauteren, vernielen. De lummels heb mien de hele heujmiete verreppeld. 2. springen van een tochtige koe op een andere.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
reppelen , reppelen , (werkwoord) , reppelen, ereppeld , 1. elkaar bespringen van dieren (bijv. konijnen, tochtige koeien); 2. wild stoeien, wild spelen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal