elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: reu

reu , , (mannelijk) , röen , reu.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
reu , reu , gesneden hond of konijn. Hoogduitsch Rüd, Rütte, Rette, bij de jagers: mannetjes van honden, vossen en wolven; Oostfriesch rö̂, röe, groote hond; ook als scheldwoord; Nederduitsch röde, rö̂e, rü̂̂e, rodde, Middel-Nederduitsch rode, rodde; Kil. rode, reude (mannetjeshond); Angel-Saksisch hrydhdha, Oud-Engelsch hruththe, Oud-Hoogduitsch rudo, Middel-Hoogduitsch rude, rüde, rüd = bulhond. (v. Dale: reu = mannetje van den hond, rekel.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
reu , reu* , bij v. Dale = mannetjeshond.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
reu , reu , Bij Kiliaan reud etc.: canis mas.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
reu , reu , de , reus, reuen , reu, mannelijke hond Ik wil wel een hond hebben, mar dan beslist een reu, gien teve (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal