elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: reupen

reupen , röpen , ròppen , Slordig afsnijden of uittrekken, afscheuren, trekken. Grö̀s röpen. Hö̂j üt de mîte röpen (of ròppen) î röpt mîn de kléren van ʼt lîf. Röpt n(i)eet zoo an d(i)ee strü̂̂ken en blômen. Kil. reupen – roopen, trekken, uittrekken, wieden.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
reupen , [afscheuren, uittrekken] , röpen , ròppen , Slordig afsnijden of uittrekken, afscheuren, trekken. Grö̂s röpen. Hö̂j ü̂t de mite röpen (of ròppen). Î röpt mîn de kléren van ʼt lîf. Röpt n(i)eet zoo an d(i)ee strü̂ken en blômen. Kil.: reupen – roopen, trekken, uittrekken, wieden. Ook: onrustig heen en weer draaien in het bed.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
reupen , reupen , Ongetwijffeld van de zelfde afkomst met roppen, welk in onze eerste Lijst voorkomt, en ook van de zelfde beteekenis: doch deze beide woorden worden in verschillende gelegenheden gebruikt. Men zegt van een stoeiend, onbezuisd kind, bij voorb. dat het zig de kleêren van ’t lijf reupt, doch men zou niet kunnen zeggen, dat het een ander de kleêren van ’t lijf reupte: om dit laatste uit te drukken zou roppen beter te pas komen.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
reupen , ruepm , werkwoord, zwak , afstropen, aftrekken van plantendelen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
reupen , reûpe , a/ op zoek naar vrijerij, b/ stropen [Box]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
reupen , reupen , 1. met geweld losscheuren 2. stoeien
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
reupen , reupen , gras proberen te vreten buiten de afrastering.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
reupen , reupen , reupen, ereupt , het reiken naar gras door de koeien achter de afrastering.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
reupen , reupen , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied) = snel pakken Een gauwdief is iene, die gauw alles bij ’nkander reupt (Bui), Dende gapt en reupt alles bij mekaar (Emm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
reupen , réupen , wild stoeien.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
reupen , reupen , reupelen , 1. geslachtsgemeenschap hebben (van dieren); 2. bespringen van koeien als ze tochtig zijn.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal