elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roebol

roebol , roobol , roebol , Hermoes Equisetum palustre, ook heringmoes, klein water-paardestaart of moeras-paardestaart, kwaden aard of kwadernaat, onneet, onnijt, lidruske, unjer. v. Hall Neerl. Plantensch. p. 273.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
roebol , roobol , roebol, ruigebol , (ook bij v. Dale gewestelijk); de moeras- en akkerpaardestaart. Zie: lidruske, Hoogduitsch Schachtelhalm.
ruigebol (Westerkwartier) = lidruske; zie aldaar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
roebol , rubòlle , (vrouwelijk) , Zeker onkruid in weiland.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
roebol , rubòlle , (vrouwelijk) , Zeker onkruid in weiland.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
roebol , růbol , akker-paardestaart. Van růbol zegt men: peerdebrood, beistenood, schaopedood.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
roebol , roebol , Is een zeker soort van onkruid dat in sommige lage hooij en weidelanden gevonden wordt, en het geen in Holland onder den naam van Hermoes bekend is.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
roebol , roebol , zelfstandig naamwoord, mannelijk , paardestaart
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
roebol , roebolle , soort paardestaart, heermoes (giftig voor het vee). Ned.: roebol.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
roebol , robol , roebol , paardestaart (soort onkruid in het weiland).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
roebol , roebòl , (Gunninks woordenlijst van 1908) 1. hermoes (equisetum arvense); 2. ruwe kerel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
roebol , roebolle , onkruid in het gras. Gres waor roebolle in zit is veur de koene niet goed.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
roebol , roegebol , robol , zelfstandig naamwoord , de; heermoes, ook: lidrus of hooi met heermoes vermengd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
roebol , roobol , roebol , heermoes (equisetum arvense).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal