elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roezemoezen

roezemoezen , [ruw zijn] , roezeboezen , (intransitief werkwoord) , ruw, onstuimig te werk gaan. Het is roezeboezig weer; regen en wind: ruw weer. Roezemoezen, onstuimig zijn.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
roezemoezen , roezeboezen , ruw, onstuimig worden, van het weder gezegd; ’t begunt te roezeboezen = ’t begint te stormen, ’t weer wordt onstuimig, inzonderheid in den herfst. Zie ook: roezeboezîg.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
roezemoezen , roezemoezen , Ravotten, stoejen, wild spelen, of iets diergelijks. ’t Valt moeilijk dergelijke woorden te bepalen. Men gebruikt ook het subst. roezemoes, bij voorb. ’t is een regte roezemoes van een jonge.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
roezemoezen , roezeboeze , werkwoord , 1. Roezemoezen. 2. Stormen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
roezemoezen , roezeboezen , onbepaald werkwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied) = onbezonnen te keer gaan Moej die jong is zien roezeboezen (Val)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roezemoezen , romoezen , onbepaald werkwoord , (Zuidwest-Drenthe, noord) = rotzooien, slordig te werk gaan
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal