elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roezen

roezen , roezen , een slag er naar slaan
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
roezen , roezen , (intransitief werkwoord) , gissen, schatten, raden. Het gaat bij de roes, hij heeft het maar zoo wat geroesd, je moet het maar roezen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
roezen , [schatten, gokken] , rûzen , (zwak werkwoord) , ramen; za’k es rûzen wô òld ij bünt, zal ik eens ramen hoe oud gij zijt.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
roezen , roezen , (Ommelanden) = ruilen; ook Friesch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
roezen , roezen , (zwak werkwoord, intransitief) , Rumoer maken, tieren, woelen, stoeien. || Niet zo roezen, ik heb pijn in me boltje (hoofdpijn). Wat is ’et weer an ’et roezen (wat is het onstuimig buiten). Pas ’en beetje op; me hoed ken niet tegen dat roezen (mijn hoed zou stuk gaan in dat gestoei). – Roezen is bij 17de- en 18de-eeuwse schrijvers zeer gebruikelijk; zie OUDEMANS, Wdb. op Bredero 310, en DE JAGER, Freq. 1. 543. Daarnaast komt voor ruizen, tieren, zich vermaken (VAN DALE; OUDEMANS, Wdb. op Bredero 315). Vgl. ook roezemoezen naast ruizemuizen, bij KIL. ruysmuysen, en zie FRANCK 820 op ruzie. – Vgl. roezig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
roezen , růůzen , zwak werkwoord , schatten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
roezen , ruissen , Stoeien, geraas maken als de kinderen doen. Zie Kiliaan op ruischen.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
roezen , roezn , werkwoord, zwak , begroten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
roezen , roeze , werkwoord , 1. Rumoer maken, onstuimig zijn (van het weer). 2. Schatten, taxeren. | Ik weet ’t niet persies, ik roes ’t maar zòn beetje. 3. Ongeschat, op goed geluk kopen. | Zuks moet je nooit roeze.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
roezen , roezen , schatten, taxeren. Uitdr. in de roeze verkopen = verkopen van vee of iets anders, waarbij het gewicht niet gewogen maar geschat wordt.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
roezen , roezen , roezen, eroesd , schatten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
roezen , roezen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. schatten IJ moet even roezen, hoou zwaor dat zwien is (Eex) 2. in grote hoeveelheden vallen etc. (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe) De proemen roest van de beume of (Pdh), De moezen, die roest er oet komen onder de laatste garven vandaan bij het dorsen (Sle), z. ook roezeln 3. drukte maken, rumoerig, druk bezig zijn (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Hij kan nooit ies staodig an warken, hij is altied an het roezen (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roezen , roeschen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , (dva) = 1. geluid maken van een varken dat beers is 2. hetz. als roeschern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roezen , roezen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) = tochtig zijn van een varken Dat zwien, dat roest. Daor moej met naor de bere hen (Klv), Het zwien roest weerom is niet drachtig geworden (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roezen , ruien , ruisen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook ruisen (Wijs) = tochtig zijn Zukke mooie motten en zij ruit niet (Zdw), (zelfst.) Wij vernimt er gien ruien an, en dan kuj hum ok niet onder de bere jagen (Hol), Het varken is weerumme ruid (Geb), ...ruist weerum is opnieuw tochtig (Wijs), z. ook weerumroezen, weerummeruien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roezen , roeschern , roeschen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook roeschen (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. borstelen, krabben, rossen Hie zat in het pannegien te roeschern om het aangebrande spul eruit te krijgen (Sle), Roesker die pèerde mor is goed, zie hebt het wal neudig (Emm) 2. stoeien Stuur die kinder toch hen boeten, dan kunt ze daor wat roeskern (Oos) 3. in grote hoeveelheden vallen (Zuidoost-Drents zandgebied) IJ schudden der an en de proemen roeschert er of (Sle), z. ook roezen II
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roezen , roezn , een ruwe taxatie van het geheel. Low mâr roezn. Bie roezn kunt er gien twee tegelieke veurdeel hebbm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
roezen , roezen , werkwoord , 1. schatten, taxeren (vaak: i.t.t. het juiste gewicht, de juiste hoeveelheid bepalen bij koop, verkoop) 2. tochtig worden, zijn (van varkens)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
roezen , roeste , werkwoord , roest, roeste, geroest , schatten, in de roest verkopen (van bijv. varkens), waarbij de koopwaar in één koop werd verkocht tegen een gemiddelde prijs, zonder op de individuele verschillen te letten
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
roezen , roezen , 1. (van de wind) loeien, te keer gaan; 2. schatten; in de roeze, bij schatting.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
roezen , ruzen , 1. schatten; 2. kopen en verkopen van dieren zonder ze te wegen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal