elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: roppen

roppen , roppen , het gras tusschen het kreupelhout weg plukken, de vogelen pluimen. Got. raupjan, plukken.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
roppen , roppen , scheuren, afscheuren, “’k laot ’t vleis van oe schermenkel roppen.” Gron. roppen = plukken, afscheuren, afrukken, Overijs. Geld. roppen = afplukken, uittrekken, op eene wilde en woeste wijze iets uit den grond trekken, vernielen, enz. Kil. roopen, ruppen, ZNederl. ropen, Oostfr. röpen, Neders. repen, röpen, Eng. to rop = wegrukken; HD. raufen, rupfen, OHD. raufjan, Goth. raupjan = plukken, trekken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
roppen , [aftrekken] , ròppen , (zwak werkwoord) , aftrekken.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
roppen , ròppen , röpen , (zwak werkwoord) , vogels plukken ( ròppen ); aftrekken; de bla van de böme röpen, de bladen van de boomen trekken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
roppen , roppen , onvoorzichtig plukken, afscheuren, afrukken, bv. van vruchten, bloemen, bladeren en takjes. Steeds voor: het plukken van gevogelte voor de keuken: doeven (enz.) roppen = duiven plukken; verroppen = moedwillig verscheuren, vernielen, van een boek, door het afbladeren eener bloem, enz.; ropvogel zegt men tegen een kind dat gaarne iets verscheurt, of zich het verscheuren zijner (of: harer) kleederen, enz., laat welgevallen; ook fig.: één uit het gezelschap, wien men voor den gek heeft, met wien men solt; “as er gâin ander tou was, den mos hij nog al voak reis veur ropvogel speulen.” roppen en scheuren, tautologisch voor: plukken, scheuren, in fig. beteekenis gezegd, bv. van personen die zich van eene nalatenschap op allerlei wijze zoeken meester te maken, die trachten, zonder deugdelijke aanspraken, zich die geheel of gedeeltelijk toe te eigenen; dei afkoat ropt en scheurt zooveul as ’e moar ken. Drentsch, Overijselsch, Geldersch roppen = afplukken, uittrekken, op eene wilde en woeste wijze iets uit den grond trekken, vernielen, enz.; Zuid-Nederlandsch ropen = uittrekken; Kil. roopen, ruepen, ruppen = trekken, rukken, uittrekken, uitrukken, enz.; Nedersaksisch, Pommersch repen, röpen, Middel-Nederduitsch ropen, roppen, rofen, Oud-Hoogduitsch roufjan, roufan, raufan, Middel-Hoogduitsch roufen, reufen, roifen, Gothisch raupjan = plukken, trekken, enz. Zie ten Doornk. artt. röpen, en: roppen.
eene kunstbewerking in den landbouw, waarbij de zode door ploegen wordt losgemaakt en dan verbrand; het land wordt alzoo met die asch bemest. Zij werd in 1799 uitgedacht, of is toen ten minste meer algemeen bekend geworden door Jakob Kornelis Molter, landbouwer te Siddeburen, dientengevolge benoemd tot Broeder van den Nederlandsche Leeuw. Zie Laurm. bl. 56.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
roppen , roppen* , ook = het plukken van gevogelte voor de keuken.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
roppen , roppen , zwak werkwoord , plukken. Ne henne roppen. Ie kiönt gein viäären roppen vån nen kikkert.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
roppen , roppen , Vellere, caspere, vellicare, zo als Kiliaan ’t ook uitlegt. Een gans roppen is de konst-term der boeren voor een gans de veêren uitplukken. [Plukken is alle veeren schoon uitplukken; roppen: de grootsten uitplukken, de kleinen laten zitten.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
roppen , ropm , werkwoord, zwak , uittrekken, uitroppen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
roppen , roppen , 1. iets los scheuren 2. plukken van een kip
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
roppen , roppen , ruw afplukken, afrukken.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
roppen , roppen , roppen, eropt , trekken, rukken, ruw afplukken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
roppen , roppen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. rukken, (ver)scheuren Dat peerd ropt altied de zel kepot (Pdh), Zij hebt mij de knopen van de jasse eropt (Hgv), Ze zaten mit zien allen in de bieten te roppen (Ros), Ze zaten der aan te scheuren en te roppen (Eel), Hij ropte an de achterdeure (Flu), Hij hef alle boomwortels deroet ropt (Bov) 2. bewerken met de ploeg van oneffen oorspronkelijk weiland voor de teelt van raapzaad (bu) 3. door stoeien vernielen En nou van det bedde of te roppen, ik holde gien beddegoed aover (Ruw), Zie zaten in het heui te roppen (Sle) 4. plukken van pluimvee As wij een kippe slacht, komt oeze buurman de kippe roppen (Coe), Rop de gaanzen maor even (Man) 5. schrapen Ze hebben heilwat bai ’nkander ropt (Row) 6. slecht snijden As de zaaise stomp is, begunt e te roppen (Bov), Wat hej te roppen met dat stomp mes (Eev) 7. hard werken Je kunnen je wel kepot roppen in die rottörf (Klv), Wij mussen der tegen roppen um dat zwaore wark daon te kriegen (Oos), Die hef mutten knooien en roppen um der te komen (Hgv) *As het ropt is, is het goed ropt; as het mèeid is, is het slecht mèeid gezegd van een slechte maaier (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
roppen , ròppen , 1. trekken; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: uittrekken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
roppen , roppm , rukken, plukken, Hie hef mien alle struukn uut de tuun erop.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
roppen , roppen , werkwoord , 1. rukken, scheuren, (hard) trekken, hard plukken 2. slecht maaien 3. hard werken (vooral lichamelijk) 4. bijeenschrapen (van geld enz.) 5. zich wild, lomp gedragen, wild tekeergaan (en daardoor vernielen)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
roppen , roppen , (werkwoord) , roppen, eropt , scheuren, rukken.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
roppen , roppen , rukken, trekken; ropnaegel, ingescheurde nagel.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal