elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ruigijzel

ruigijzel , [ijzel] , rowgîsel , (mannelijk) , ijzel.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
ruigijzel , [ijzel] , rûgisel , (mannelijk) , ijzel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ruigijzel , ruwisel , (mannelijk) , ijzel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ruigijzel , rugîzel , (vrouwelijk) , IJzel. rugîzelen – ijzelen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
ruigijzel , rugîzel , (vrouwelijk) , IJzel. Rugîzelen – ijzelen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
ruigijzel , rouw-ijzel , ruige-ijzel , rijm, pruina, zie Kil. op ijsel enz.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
ruigijzel , roegiezl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , rijp
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ruigijzel , roegiezel , roewiezel , (Gunninks woordenlijst van 1908) rijm (bevroren dauw). Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: roewiezel (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ruigijzel , roewiezel , rijp.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ruigijzel , rouwiezel , zelfstandig naamwoord , de 1. onderkoelde regen 2. ijslaagje gevormd door onderkoelde regen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ruigijzel , roe-iezel , roe-issel, roewiezel, roewgiezel , ijzel, rijm, rijp; roewiezelen, rijpvormig opvriezen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal