elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schutter

schutter , schö̂tter , opzichter in de marke; boschschö̂tter, zandschö̂tter (voor de jacht); weideschö̂tter (voor het vee).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
schutter , schutter , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. schrille schutter op schril. – Zie een zegsw. op stalramig. – Ook als benaming voor een half glas bier of drank. || Geef me maar ’en skutter. Evenzo te Amsterdam.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schutter , schutters , Zie holting.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
schutter , schutter , de , schutters , 1. schutter Dat is een goeie schutter. As die schut is het altied raak (Eke) 2. rare snuiter Wat een rare schutter, het kan hum niks schelen, wat hij zeg (Pes), Het is een rare schutter, mar ij kunt er smangs wal um lachen (Scho), Wat is dat een vrömde schutter; die komp nou ok alles uut wat een sjacheraar, hem past alles (Geb)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schutter , schötterd , schutter, schotterd , de , schötterds , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook schutter, schotterd (Midden-Drenthe) = vrouw, die altijd bij de weg is Den schötterd is meer weg dan dat e in hoes is (Sti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schutter , schutterie , de , schutteries , (Midden-Drenthe) = soort appel Schutteries waren taofelappels (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schutter , schutter , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die schut, zie schutten 2. iemand die schiet (met een geweer enz.) 3. lid van een schutterij 4. vreemde snuiter, rare snaak
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schutter , skutter , (zelfstandig naamwoord) , schutter.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schutter , [lid van een schutterij] , sjöt , (mannelijk) , sjötte , schutter, lid van een schutterij , Dao kómme de sjötte.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
schutter , sjötter , (mannelijk) , sjötters , sjötterke , schutter
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal