elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smodden

smodden , smōdden , smōtten , smetten, bemorsen, bezoedelen, vuil maken; dat goud smōdt nijt gau = op die stof zijn vlekken niet spoedig merkbaar; smōddîg = niet schoon; niet helder; smōdschoet (= smōdde) = soort van boezelaar, zonder mouwen, voor kleine meisjes om als overtrek het bemorsen van het kleed te voorkomen, Oostfriesch smuddelappe, smudje, Nedersaksisch smuddewämsken. – Oostfriesch smudden, Hoogduitsch schmutzen (en: schmutzig), Saterlandsch smuddje, Nedersaksisch smudden, smuddeln, smuddern, Engelsch to smut, smudge = bemorsen, enz. (Weil.: smodderen (verouderd) = vuil maken, en: smodderig = vuil; v. Dale: smodderen (gewestelijk) = bemorsen, en: smodderig = morsig, vuil.) Verwant met: smetten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smodden , smodden , besmodden , Vuil maken. Kiliaan heeft besmockelen in die beteekenis.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
smodden , smodden , vuil maken of worden
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
smodden , smodden , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = vuil maken, smeren Wat zit ij toch te smodden, de hiele taofel zit under de varf (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal