elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spon

spon , spont , Stop op het bom-gat van een ton. Zo ook spont-gat. Zie Kiliaan op spongie.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
spon , spón , (vrouwelijk) , langwerpige kegelvormige stop waarmee het vulgat van een vat wordt afgesloten , De spón vloeag oette tón.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
spon , spon , zelfstandig naamwoord , WBD (lI:2831) 'sponnə' (mv.) - (losse) zijplanken v.e. kruiwagen; (II:2799) 'plattə sponnə' - planken aan de zijkant v.e. karbak; zijleest; (II:2800) 'rééchtə sponnə' - verticale zijleesten v.e. karbak; (II:2798) 'sponstékkə' (mv) - rongen v.e. karbak; WNT SPON - 1) vulgat in het midden v.e. der duigen v.e. vat, spongat; 2) platronde, gewoonlijk eenigszins in den vorm v.e. afgeknotten kegel toeloopende schijf, waarmede het vulgat v.e. vat wordt gesloten.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal