elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spreu

spreu , spreu , hard droog, zóó, dat het kan breken, bv. van riet, enz. Gron. sprok, sprokkel = sprokkig, broos, van hout gezegd. Kil. spork, sprok = broos; Friesch. NBrab. Oostfr. Neders. sprok, Holst. sprück, sprok, Westf. sprock, HD. spröde = licht breekbaar.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
spreu , sprö , (bijvoeglijk naamwoord) , weerbarstig; ’t haor is sprö, staat rechtop, met barsten; spröhände, winterhanden; licht breekbaar, sprö stroo.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
spreu , sprö , Ruw van de schrale kou. Spröë handen, lippen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
spreu , sprö , Ruw van de schrale kou. Sprö-e handen, lippen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
spreu , spröö , ruw, droog. Sprööe haonde of lippen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
spreu , spreu , Uitgedroogd en daar door bros geworden. De landlieden klaagen ook wel dat het koorn in den oogst te spreu is en daardoor bij ’t inzamelen te veel wegvalt. Hoogd. sprö, mager, zwak.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
spreu , sprue , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , met kleine barstjes
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
spreu , spreu , schraal, b.v. spreue lippen = schrale lippen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
spreu , spreu , ruw, schraal, droog (huid).
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
spreu , spreu , (Kampereiland, Kamperveen) hard (van huid)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
spreu , spreu , ruw, gebarsten (lippen en handen). Spreu lippm; spreu hande.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
spreu , spreu , (bijvoeglijk naamwoord) , schraal, droog, ruw (van de huid of lippen). Zie ook: skraol.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
spreu , spreu , schraal, droog (van lippen); spreuhanden, spreuvoeten, winterhanden, wintervoeten.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal