elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sprokkel

sprokkel , sprokkel , sprokken , vuilboom of gemeene Wegedoorn, Rhamnus Frangula, ook door het geheele land bekend onder de namen stinkhout, sporkenhout, pijlhout, hondsknopperen, kraaibessen, bloedboom.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
sprokkel , [dor hout] , spròkkel , spròkke , dor hout.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
sprokkel , sprokkels , sprikkels , Dunne, afgevallen takjes van boomen. Van hier sprokkelen erb. voor de sprokkels oprapen. Men zegt evenwel niet sprikkelen.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
sprokkel , sprikls , zelfstandig naamwoord, mannelijk , sprikln , spriklken , dor takje
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
sprokkel , sprokkel , umhulsel vánne larve ván en libel of waterjuffer. (WLD III 4.2, 179)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
sprokkel , sprakkel , sprokkel, sprokken , de , sprakkeln , Ook sprokkel (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), sprokken (wm) = (hout van de) vuilboom Sprakkel wordt hard as het dreug is. Het wordt gebroekt veur bandgarden en spielen veur de iemskörf (Sle), Veur bandgaarden moej sprokkeln hebben (Oos), z. ook sporkenholt
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sprokkel , sprokkel , sprokkeling , de , sprokkels , Ook sprokkeling (Zuidwest-Drenthe, zuid) = bosmier Overal leupen van die grote sprokkels in de bos; ie kunden nargens ies even gaon zitten (Ruw), Een sprokkel is een dikke, zwaarte mieghummel (Row), ...de rooie bosmieghummel (Eke)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sprokkel , sprokkel , zelfstandig naamwoord , de 1. rode bosmier 2. droge twijg
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal