elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stoet

stoet , stoete , brood van gezift roggenmeel. De oude vorm was spits aan twee einden en hiervan stuit, [L. F. stuet, Pl. d. stute]. Fr. croupion, de uiterste punt des ruggegraads. Isl. stût-kanna, tuitkanne. Dit woord is versterkt door de s en eigenlijk toete, nog overig in tote, tuite. L. F. tute, de pijphals van een trekpot, enz. Pl. d. tüte, peperhuisjen. L. F. tuwt, mond. Zw. tut, snavel.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
stoet , stoete , stuutjen , verkleinwoord, brood van de beste, uitgebuilde rogge.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
stoet , stoet , stoete , wit brood, ’t zij van rogge of van tarwe gebakken, zoowel voorwerps- als stofnaam; ook Gron.; in Westerw.: zulfbakken stoete = stoete, dat de boeren daar zelf bakken. Oostfr. stute = wittebrood, en: groot, langwerpig wit brood; Neders. Holst. Oldenb. Westf. stute, stuten = wittebrood, en: wit brood in ’t algemeen HD. Stute = broodje; Kil. stuyte, stoete = vierkant tarwebrood; (Vlaamsch, Zeeuwsch) stuyte = boterham.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
stoet , stûte , (vrouwelijk) , rond brood van weitenmeel; verkl. stü̂tjen; stûtenbrugge, boterham van eene stûte.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stoet , stoet , stoete , wit brood, ’t zij van tarwe of van rogge, ter onderscheiding van: brood, (waaronder alleen: zwart brood, dat is gezuurd grof roggebrood verstaan wordt), en beschuiten; als voorwerpsnaam meervoud stoeten. Schertsend wordt het ook: goar meel genoemd. zulfbakken stoete heet in Westerwolde zulk brood dat de boeren daar zelf bakken van roggemeel; stoetbrōgge (Oldampt, Westerwolde) = stoetbrug (Ommelanden) = plak of snee stoet met boter besmeerd, zeer fatsoenlijk uitgedrukt: stoetbotram. – stoetkerel, of: stoetkereltje = een stoetje dat den vorm heeft van een kereltje, vooral om kinderen op Nieuwjaar ten geschenke te geven; Oostfriesch stutenkërel; mit stoetkörf loopen = wit brood en beschuiten, voor de bakkers, bij de huizen verkoopen; (zie: oabram). Elke bakker heeft nl. één of meer personen, stoetwieven (körfloopers, ook: bakkersmaiden) tot dat doel in dienst, (ofschoon men er ook den knecht, maar meestal den leerjongen toe gebruikt), die aan elken gulden 10 of 15 cents verdienen. – pooskestoeten = stoeten van aanzienlijke lengte die voor het Paaschfeest worden gebakken. Drentsch stoet, Oostfriesch stute = wittebrood, en: groot langwerpig, in Drente ook rond wittebrood; Oldenburgsch, Nedersaksisch, Holsteinsch, Westfaalsch stute, stuten = wittebrood, en = wit brood in ’t algemeen. – Kil. stuyte, stoete = vierkant en tevens bol en dik tarwebrood, en: stuyte (Vlaanderen, Zeeland) = boterham, wat ten Doornk. aanleiding geeft om aan: stuit, Oostfriesch stü̂̂t, Oud-Hoogduitsch stiuz, Hoogduitsch Steiss, voor: podex, als iets, dat rond, dik, bol is, en aan den vorm er van zou ontleend zijn. Zie evenwel zijn vergelijking met: het dikke eind van een ham, art. stute. – Het Holst. Wb. heeft: stutenweek = week waarin men de ter school gezonden kinderen veel vrijheid geeft, om ze te wennen; Oostfriesch, Nederduitsch, Middel-Nederduitsch stutenweke = de week, of: de weken waarin men te gast gaat, smult, enz.; ook = de wittebroodsweken. In deze provincie is het op sommige plaatsen nog gebruikelijk om voor den aankomeling op school bij den onderwijzer eene stoet te bezorgen, om hem (of: haar) het schoolgaan lekker te maken. De ouders, en ’t zijn vooral die uit den geringen stand, welke dit verkeerd gebruik in eere houden, vertellen hunnen lievelingen dat meester een’ boom heeft met stoeten geladen en er eene voor hen afschudt. Vgl. bij v. Dale: stuit, en: stutte; zie: snarren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stoet , stute , (mannelijk, vrouwelijk) , Wittebrood. Ook scheldnaam voor een bakker.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
stoet , stoet , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Een hardgebakken grof broodje, half van tarwe, half van rogge (Zaandam). Te Wormer ook: een lange bol wittebrood. || Haal ers ’en paar stoeten. – Het woord is elders in het N. en O. van ons land zeer gebruikelijk als benaming voor tarwebrood, ter onderscheiding van grof brood (zie MOLEMA 407; GALLÉE 44; KOOLMAN 3, 357, enz.). Op Urk zijn stuutjes wittebroodjes van 1 cent per stuk (Taal en Letterb. 9, 43). In het Stad-Fri. spreekt men van stuten. – Vgl stuit.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stoet , stoet* , bij v. Dale ook: stutte (gewestelijk) = stoet, boterham.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
stoet , stute , (mannelijk, vrouwelijk) , Wittebrood. Ook scheldnaam voor een bakker.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
stoet , stůtte , vrouwelijk , grijs brood van tarwemeel of roggemeel. Nen raaren stůtten: een zonderling.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stoet , stoete , Beteekent hier thans zeer fijn roggen brood. Vergelijk Kiliaan. Het wordt door de landlieden gebakken. [De dorpelingen heten de boeren uit minachting wel boeren stoeten.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
stoet , stoete , Onbeschoft vrouwspersoon.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
stoet , stoete , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , stoetn , stoetjen , wittebrood
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
stoet , stoet , stoede , wit-, tarwe- of krentebrood
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
stoet , stoet , zelfstandig naamwoord de , Brood gebakken van gebuild tarwe- of roggemeel of van een mengsel daarvan. Zegswijze Je kenne in ’n kloin trommeltje gien grôte stoet bakke, je kunt niet het onmogelijke doen. Ook schertsend gezegd van een klein echtpaar waarvan je niet mag verwachten, dat het grote, lange kinderen krijgt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stoet , stoete , witbrood.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
stoet , stoete , brood; * a’k oe niet hadde en gin brood, dan mos ik stoete etten: wat zou ik zonder jou moeten beginnen...
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
stoet , stoet , de , stoeten , stoet Zij leupen achter de stoet an begrafenisstoet (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stoet , stoet , stoete, stoede , de , stoeten , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook stoete (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), stoede (Veenkoloniën) = 1. al het brood, dat geen roggebrood is Manlu sneden vrogger stoet en de vrouwlu gungen melken; dat deden de mannen ok niet (Sle), Hie is zo gewillig as een snee stoet, mar hie lat zuk niet opeten de kaas van het brood eten (Sti), Wij hebt de stoeten in de novend (Dwi), Ik doe je stoet in de mat boterhammen (Eex), Most een stoede met een ronde kabbe of een knipstoede hebben? (Vtm) 2. (meestal mv.) (deel van) achterwerk Mien stoeten doet zeer (Hoh), Die vrouw hef beste stoeten an het gat (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stoet , stoete , groot brood
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stoet , stoete , stuutien , brood. Met Paosn krege wie altied krintestoete. De bakker hef veur ieder ’n reziennstuutien ebakkn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
stoet , stoete , stoeten, stute, stuten, stuit , zelfstandig naamwoord , de 1. stoet, benaming voor diverse soorten brood: wittebrood, wit krentenbrood, brood dat men zelf bakte 2. achterste, (dik) achterwerk, stuit 3. elk der beide delen van het achterwerk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stoet , stoete , (zelfstandig naamwoord) , groot brood.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
stoet , stoet , stoete , 1. brood; 2. groot formaat brood; grieze stoete, tarwebrood; stoeten, billen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal