elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stortebollen

stortebollen , stortebollen , (stòrtəbollə) , (zwak werkwoord, intransitief) , Over het hoofd buitelen (de Wormer). Weinig gebruikelijk. – Vgl. de synon. stutelebollen en koppeltjetuimelen. || Wat ken die jongen toch lekker stortebollen. – Evenzo in W.-Friesl. – Vgl. stortebol.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stortebollen , stortebollen , Over ’t hoofd tuimelen, een kinderspel. Twentsch.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal