elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tomig

tomig , [werkeloos] , teumig , werkeloos. Isl. tômr, id.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
tomig , teumig , ledig, werkeloos. teumig gaan lediggaan, niets te doen hebben.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
tomig , teumîg , tuimîg, tuemîg, tuenîg , bedaard, langzaam; hij leup heel bedaerd en teumîg; ’t was ’n teumîge vent. Ook = werkeloos, ledig, niet druk. Gron. tuimîg = niet druk, bv. in een winkel, zóó dat men het werk op zijn gemak kan afdoen; Overijs. teumig, tuimig = niet druk; Geld. tumîg, teumîg = werkeloos, ledig; Kil. (Fris.) tomigh = ledig, niet werkzaam. Oudfr. Noordfr. tomig = werkeloos; AS. OSaks. tom, tomian = los, vrij. Oostfr. tömig = bescheiden, geschikt, zedig, ordelijk, rustig; sük tömig holden; tömige gasten; tömig wër = zacht, stil. Van: toomen = beteugelen, bedwingen, Oostfr. tömen, HD. zähmen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tomig , [lui, werkeloos] , tömig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , lui, werkeloos; tömig gaon, ledig gaan.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tomig , tuimîg , niet druk, minder druk dan gewoon; wie hebben ʼt tuimîg van doag, zegt bv. de winkelier, als er weinig menschen voor de toonbank komen; ook de huismoeder, wanneer het buitengewone werk verricht is, dus zooveel als: wij kunnen ʼt nu best af, wij hebben het op dit oogenblik rustig, ʼt is ʼn tuimige tied = in dezen tijd van ʼt jaar is het niet druk. Drentsch teumîg, tuimîg, tuemîg, tuenîg = bedaard, langzaam; hij leup heel bedaoard en teumîg; ʼt was ʼn teumîge vent; ook = werkeloos, ledig, niet druk; Overijselsch teumig, tuimig = niet druk; Geldersch tumîg, teumîg = werkeloos, ledig; Kil. (Fris.) tomigh = ledig, niet werkzaam; Oostfriesch tömig = bescheiden, geschikt, zedig, ordelijk, rustig; sük tömig holden; tömige gasten, tömig wër; Oud-Friesch, Noordfriesch tomig = werkeloos; Deensch tom = zonder iets, ledig; Angel-Saksisch, Oud-Saksisch tom, tomian = los, vrij. Van: toomen = beteugelen, bedwingen, Oostfriesch tömen, Hoogduitsch zähmen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tomig , tömig , Ledig, werkeloos. Tömigganger, leeglooper. Dit woord hoort men in de stad bijna niet meer.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
tomig , teumĕch , niets doend. Altied teumĕch zitten, det kuj ook niet.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
tomig , [leeg, werkloos] , tömig , Ledig, werkeloos. Tömigganger, leegloper. Dit woord hoort men in de stad bijna niet meer.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
tomig , tuemig , teumig , Ik schrijf dit woord volgens de uitspraak die men het geeft ten platten lande in deze Provincie, waar het nog gebruikt wordt in de zelfde beteekenis die bij Kiliaan gevonden wordt op tomigh, otiosus, vacans. Van hier ook ’t verb. act. tuemen of teumen, bij voorb. tuem ij daar nog wat? d.i. blijft gij nog wat op die plaats? [Men zegt in Twente: ik kan het niet betuemigen = ik heb er genen tijd, gene onleede toe, het paard staat tuemig, doet niets; de H.D. hebben zäumigh. --Tuemen heb ik nooit hooren gebruiken, maar wel tueven (toeven, vertoeven): tueve ij daar nog wat, d.i. blijft gij nog wat op die plaats? houdt gij u daar nog wat op? Mogelik is beide tuemen en tueven in gebruik evenals staven en stamen, boekstaven, stamelen.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
tomig , tuemeg , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , zonder bezigheid. Tuemeg goan, werkeloos zijn
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tomig , tuimeg , tumeg , het iets minder druk hebben dan voorheen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
tomig , teumig , tumig , niets doend; * hi leup t’r de helen dat mà teumig rond: hij liep de hele dag maar te niksen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
tomig , teumig , (Kamperveen) niets presterend
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tomig , teumeg , zonder bezigheid. Teumege tied is niks veur ’n wârkzaeme aerd.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tomig , teumig , tumig , 1. bedaard; 2. nietsdoend; 3. eenvoudig, sober; 4. zuinig, bedremmeld.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal