elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tijgen

tijgen , ti-’jen , tijgen , trekken.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
tijgen , tieën , tien , gaan, inzonderheid = rijden met den wagen; hen huus tieën = naar huis gaan; te werk tieën = aan het werk gaan, met het werk beginnen, Gron. an ’t wark tieden. Overijs. tieën = trekken; Kil. tijden, tijen (veroud.) = zich ergens heen begeven, naar toe trekken; Oostfr. tîen, têjen, tîen = trekken, zich bewegen naar; Neders. teën, MNederd. tên, tien, Oudfr. tia, Friesch tjean, Saterl. tejen, Noordfr. tjèn, AS. teohan, teôn, OSaks. tiohan, tion, Goth. tiuhan, OHD. ziohan, zëohan, ziahan, ziehan, MHD. ziehen, zien, HD. ziehen. – Het deelw. tiëd = gegaan, getrokken. Van het OFriesche: tia het Nederl. tijd, Gron. tied, en zooveel als: het gestadig voorwaarts getrokken, het immer voortgaande. Zie ook: antieën.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tijgen , tijen , (sterk werkwoord) , trekken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tijgen , tiên , tieên, tieden, tiegen , bij ouderwetsche menschen nog in gebruik; an ’t wark tiên, of tieden = aan ’t werk gaan, (ook Zuid-Hollandsch); op loop tiên, of: tieden = op den loop gaan, de voetreis aanvaarden. In Westerwolde: tieden, voor: uitgaan, vooral: uitgaan met een rijtuig; wie tieden mörgen noa Winschoot; wie bin om zeuven uur oettied. – “Ik tieg an ’t bounen, schrobben, vegen.” Drentsch tieën = trekken, reizen, ergens heengaan; Overijselsch tieën = trekken; Kil. tijden, tijen (verouderd) = zich ergens heen begeven, naar toe trekken; Oostfriesch teën, tiën = trekken, reizen; Noordfriesch tije, tijen, tien, tiden = trekken, ergen heen reizen, ook: naar iets trachten; Oud-Friesch tia = voorttrekken, Hoogduitsch ziehen. Vgl. tied = tijd; verleden deelwoord van: tie-en = trekken; zooveel als: het gestadig voorwaarts getrokkene, het immer voortgaande. (v. Dale: tiegen: alleen de onvoltooid verleden tijd en het verleden deelwoord van dit werkwoord zijn gebruikelijk; tijen = beginnen, aan den arbeid, is verouderd.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tijgen , ziegen , siegen , (werkwoord en zelfstandig naamwoord) = tochten, en: tocht; ’t ziegt doar = het tocht daar; in de ziegen zitten = op den tocht zitten; men ken gijn ziegtje (of: siekje) vuilen = ’t is doodstil; is mie ’n ziegen op ’t oog vallen, zegt men wanneer men een puistje op het ooglid heeft. Friesch sigenke = tochtje, windje. Vgl. sieken en ’t Hoogduitsche ziehen, alsmede ’t Nederlandsche trekken = tochten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tijgen , tijen , (sterk werkwoord, intransitief) , teeg, togen, ’etogen , Gaan. Zie de wdbb. en vgl. NAUTA, Aant. op Bredero, § 102. || We togen op weg. Des avonds teeg het weer aen het vriesen met een heldere lugt, Hs. (a° 1728). – Zo ook elders. Vgl. aantij en betien.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tijgen , tien* , tieën , 1, bij v. Dale tijen en tiegen (waarvan: toog, getogen.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tijgen , ziegen* , Hoogduitsch ziehen, dat, evenals ’t Nederlandsche “trekken”, ook “tochten” beteekent.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tijgen , tiigen , tuääg, etuäägen, ik tiige , tijgen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tijgen , tijen , Kiliaan verklaart dit onder anderen door tendere, ergens heen gaan, en in dien zin wordt het in Twente nog veel gebruikt. [Hij tijde gauw naa huis; laat hem betijen, dat is geworden, begaan; c. Melis Stoke, betijen, betijde is ook beschuldigen.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
tijgen , tieng , werkwoord, sterk , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: tiege, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: t , trekken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tijgen , getéêjd hébbe , van plan zijn.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
tijgen , tien , tien, etied, hen tien , weggaan.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
tijgen , teiden , teien, teeien , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe). Ook teien, teeien (Zuidwest-Drenthe, zuid) = talen Sinds ze van schole of is, hef ze nog niet weer mit poppen espeuld; zij teidt er niet meer naor (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tijgen , tiegen , sterk werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = gaan, tijgen De kwaojongen togen der met veul koeraozie op of (Rod), Zij waren nog maar pas etrouwd, doe zag ik hum en zien maor alle dagen al aover en weer tiegen (N:Zuidwest-Drenthe), Zie teugen hen het wark (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tijgen , tien , tienen, teien , zwak werkwoord, onovergankelijk , Ook tienen (dva), teien (bh) = 1. gaan, trekken, rijden (Zuidoost-Drents zandgebied, vs) Woor zult zie hentien met de wagen? (Sle), De meid is gaon tien trekken, speciaal gezegd als het gaat om weglopen uit een dienst (ui), Als de onze oet Braobant tient (dva), Mit ene die ik het lèven zo lekker zal maken, det hij nooit naar een aander teit (bh) 2. beginnen (dva) te werk tie-en aan het werk gaan, z. ook antien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tijgen , téien , 1) gaan. (téi, tèide, getèit, téé, getejen), tijgen; 2) van plan zijn, ‘k heb getèit mèèrgen nao de mèrt te gaon, ik ben van plan om morgen naar de markt te gaan.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
tijgen , tugen , werkwoord , 1. tijgen: trekken, gaan 2. snel lopen, fietsen 3. op gunstige voorwaarden, tegen een gunstige prijs aanschaffen, op gunstige wijze verwerven door ruil; gezegd wanneer men geen geld terug hoeft: Laot mar zitten, ik kan ’t wel tugen 4. verkopen 5. verdragen 6. knoeien met het eten, niet opschieten met het eten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tijgen , getéíjd hebbe , téíje , van plan zijn
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
tijgen , [aandacht schenken] , tieje , tietj, tiedje, getiedj , aandacht schenken, aan iemand denken , Ze höbbe t’r nog neet haer getiedj: ze hebben er nog geen aandacht aan geschonken.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tijgen , tije , sterk werkwoord , tijgen, trekken, gaan; Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - zak er ók es óp af tije - zal ik er ook eens op af gaan; — tije - toog - getooge; WNT TIJGEN (I) B, onz. z.a. TIJEN = tijgen; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - GETIJD (getééjt) vd. van niet gebruikt ww. 'tijen'. Zie aldaar!
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal