elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: toffel

toffel , tuffels , wordt nog een enkele keer gebruikt voor aardappels, vooral in Borne.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
toffel , tōffels , kedöffels , (alleen meervoud), voor: aardappelen; Overijselsch tuffeln, ’t Hoogduitsche Kartoffeln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
toffel , toffel , (tòffəl) , (zelfstandig naamwoord) , Slag, klap. Zie toffelen. || Ik zel je ’en flinke toffel geven.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
toffel , toffelen , toffels , Aardappels. Twenthsch; Hoogd. Kartoffel.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
toffel , toffels , zelfstandig naamwoord meervoud , Variant van pantoffels.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
toffel , toffel , de , toffels , (Zuidwest-Drenthe, noord) = grote hoeveelheid Een toffel kleine jongen (Dwi), z. ook toggel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
toffel , toffel , zelfstandig naamwoord , de 1. pantoffel 2. iemand die weinig kwiek loopt, die drentelend loopt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
toffel , toffel , zelfstandig naamwoord , toffels , toffeltie , pantoffel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal