elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tuierhout

tuierhout , tuur-hout , Stijl, waar aan de runderen op de stallen gebonden worden. Zie Kiliaan op tuier.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
tuierhout , tuurhòolt , zelfstandig naamwoord, mannelijk , hout met beugel, om een dier aan een paal te zetten, met bewegingsvrijheid, aan touw
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tuierhout , [paal ] , tujerhout , paal waaraan vee vastgebonden werd, zie ook tujerpaol
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal