elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tuigen

tuigen , tuën , tugen , men zegt: dat kan ’k nich tuën, dat kan Bruintje niet trekken; dat is mij teveel.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
tuigen , tugen , zonder schade ruilen, verkoopen, werk verrichten, (tegen behoorlijke belooning); ik ken ’t nijt tugen = de ruil zou in mijn nadeel zijn; dat ken ʼk nijt tugen = gij biedt mij te weinig, ook: gij wilt mij te min betalen, ʼt zij dit eene vergissing is of voorbedachtelijk. Drentsch. tugen, Friesch tigen = zonder schade ruilen; Geldersch iets tugen = met iets uit kunnen; Nedersaksisch ik kan ʼt nig tügen = ik kan daartoe niet besluiten. Vergelijk hiermede: dat ken de broene nijt trekken = zoo kom ik niet tot mijn deel, dan krijg ik niet wat mij toekomt. – tugen, bijvorm van tiegen = tijgen = trekken. Zie: tuug 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tuigen , tü̂̂gen , (overgankelijk werkwoord) , alleen in de onbep. wijs gebruikt. Het is moeilijk de beteekenis van dit werkwoord in enkele woorden weer te geven. We zullen daarom trachten, die door eenige voorbeelden duidelijk te maken. A, zegt tot B. Gef mîn dat bôk vör d(i)ee pesterdöze. B. , dat kan ʼk n(i)eet tü̂̂gen. A. Maor akter dan dit leniaol bî dô? B. Jao, dan kan ʼk ʼt net èven tü̂̂gen. Hier zouden we ʼt kunnen weergeven door: doen, geven. Van een karigen winkelier zal men zeggen: H(i)ee kon ʼt n(i)eet tü̂̂gen mîn ʼn kòkkîje of ʼn pèpermüntjen tô te géven, dus: over zich verkrijgen. De meid, die een rekening heeft betaald en geen fooitje kreeg, zal zeggen: D(i)ee vent kon nòg n(i)eet tü̂̂gen, datte mîn ʼn dübbeltjen gaf. Moet iemand een nieuw pak hebben en kan hij ʼt geld er voor niet missen, dan zal hij zeggen: Nödig hek ʼt wel, maor ik kan ʼt op ʼt oogenblik n(i)eet tü̂̂gen; ʼt is ʼn dü̂̂re tîd, dus: betalen. Zie: versîzen. D(i)ee man düt niks as warken en vrö̂ten, h(i)ee günt zich gîn tîd, h(i)ee kan n(i)eet tü̂̂gen, üm te èten òf te drinken. Ik kan ʼt n(i)eet tü̂̂gen, wordt in ʼt Engelsch volkomen weergegeven door: I canʼt afford it. Het werkw. tü̂̂gen is hetzelfde als ʼt Hoogd. zeugen, voortbrengen, ons Ndl. tuigen, en is verwant met ons: tiegen – trekken. Ik kan ʼt n(i)eet tü̂̂gen kan men dan ook in veel gevallen weergeven door ʼt Ndl: Dat kan Bles niet trekken.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
tuigen , tuigen , (zwak werkwoord) , vgl. aantuigen, uittuigen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tuigen , tuugĕn , Hij kan ’t neet langer tuugen det hij zit, hij kan ’t niet langer uithouden om te zitten. Als A met B iets wil ruilen, en ’t lijkt B onvoordeelig, dan zegt hij: ik kan ’t neet tuugen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
tuigen , tü̂gen , (overgankelijk werkwoord) , alleen in de onbep. wijs gebruikt. Het is moeilijk de beteekenis van dit werkwoord in enkele woorden weer te geven. Eenige voorbeelden mogen het duidelijk maken. A. zegt tot B.: Géf mîn dat bôk vö̂r d(i)ee pesterdöze. B.: , dat kan ʼk n(i)eet tü̂gen. A.: Maor akter dan dit liniaol bî dô? B.: Jao, dan kan ʼk ʼt net èven tü̂gen. Hier zouden we het kunnen weergeven door: doen, geven. Van een karigen winkelier zal men zeggen: H(i)ee kon ʼt n(i)eet tü̂gen mîn ʼn kòkkîje of ʼn pèpe(r)müntjen tô te géven, dus: over zich verkrijgen. De meid, die een rekening heeft betaald en geen fooitje kreeg, zal zeggen: D(i)ee vent kon nòg n(i)eet tü̂gen, datte mîn ʼn dübbeltjen gaf. Moet iemand een nieuw pak hebben en kan hij het geld er voor niet missen, dan zal hij zeggen: Nödig hek ʼt wel, maor ik kan ʼt op ʼt oogenblik n(i)eet tü̂gen; ʼt is ʼn dü̂re tîd, dus: betalen. Zie: versîzen. D(i)ee man düt niks as warken en vrö̂ten, h(i)ee günt zich gîn tîd, h(i)ee kan n(i)eet tü̂gen, üm te èten òf te drinken. Ik kan ʼt n(i)eet tü̂gen, wordt in het Engelsch volkomen weergegeven door: I cannot afford it. Het werkw. tü̂gen is hetzelfde als het Hoogd. zeugen, voortbrengen, ons Ned. tuigen, en is verwant met ons: tiegen – trekken. Ik kan ʼt n(i)eet tü̂gen, kan men dan ook in veel gevallen weergeven door het Ned.: Dat kan Bles niet trekken.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
tuigen , tüügen , over zich verkrijgen. Hei kån het neit tüügen um wat te giieven.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tuigen , tuigen , Heeft tweederlei beteekenis. De koopman zegt: ik kan ’t niet tuigen daar voor te geven, wanneer hem te weinig voor zijn waar geboden wordt. Ik kan niet tuigen koets en paarden te houden, zegt iemand wiens inkomsten daartoe niet toereikend zijn. Dit laatste is het Engelsche I can not afford it. [Dit woord heeft in Impf. tuigde, etuigd of etuugd; van tuuën voor tuugen zegt men toog, etoogen = trok, getrokken.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
tuigen , tuung , werkwoord, zwak , 1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: tuuge, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: t , optuigen. Doar kan ‘k t neet vuur tuung, daar kan ik het niet voor doen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tuigen , tuu:ge , paard wennen aan tuig en arbeid.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
tuigen , tugen , onbepaald werkwoord , altijd met kunnen = 1. verdragen, velen IJ moet tugen kunnen, daj hum een stukkien ofgeeft (Sle), Ik ken het nait tugen dat zai aal deur toene lopen (Vtm), Hij holdt er een iegen miening op nao, die niet iederien kan tugen waarderen (Nam) 2. niet te kort komen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) Hij kun het wal tugen was er goed mee uit (Row), Ik kan het niet tugen, d.i. ik koom er aan te korte aw zo ruilt (Hgv), Dat kunj wel tugen daarbij lijdt je geen schade (wm) 3. (kunnen) missen (Zuidwest-Drenthe) Laow mar een dag uutgaon, det kow der wel oftugen (Ruw), Gien halve dag kan hij er oftugen kan er op overschieten (N:Zuidwest-Drenthe), (...) lèe zo nou en dan een paar centen achteruut, meer kun ze der niet oftugen (po)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuigen , tugen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. in het tuig maken, optuigen Hij is de pèerde an het tugen (Sle) 2. lopen bij wedstrijden Tugen is mooi lopen van een peerd, al of niet veur een karregie (Bal), Het is vandage tugen beoordeling van tuigpaarden (Zwin), Met een peerd tugen veur een sjees (Nor), (zelfst.) Dat peerd hef mit het tugen het heufd te lege (Bro) 3. gaan, rijden, stappen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Mor ij tuugt zaoterdag mor is hen Assen en bekiek de booul mor is (Eex), Zie kwam er an tugen in het neie klied stapte trots (N), Muj ies kieken, wie daor an komp tugen stappen (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuigen , tûgen , (Gunninks woordenlijst van 1908) over zich verkrijgen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tuigen , tuugn , zich veroorloven. Ik kan ’t niet tuugn um alle zundaegn te gaon biljârtn, dat kan de broene niet trekkn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tuigen , tugen , werkwoord , 1. showen door fraai opgetuigde paarden (staand, dravend of voor een sjees e.d.), met name op een tugeri’je 2. trots, pronkend, showend lopen 3. (m.b.t. paarden) mooi lopen 4. (m.b.t. vrouwen) mooi zijn 5. in d’r mit tugen ermee pronken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tuigen , tèùge , zwak werkwoord , tèùge - tèùgde - getèùgd , optuigen; (geen vooaalkrimping); WBD tèùge - het paard wennen aan tuig en arbeid; A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zw.ww.tr. - tuigen, van tuig voorzien (bij paarden)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal