elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tuntelen

tuntelen , tuntelen , sammelen, talmen. Isl. tômr, ledig, lui. Sc. tume, id. Zw. tom, langzaam. [tumen, tumten, tumtelen.] Zie tunteln. B. N. L.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
tuntelen , [kunstelen] , tuntelen , (intransitief werkwoord) , kunstelen, beuzelen. Leg niet te tuntelen, verwaauwel uwen tijd niet met kleinigheden die veel tijd en geduld vorderen. Dat is een getuntel. Vandaar tuntelwerk, vertuntelen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
tuntelen , tunteln , zie: tiebeln.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tuntelen , tútêln , tuntêln , iets met de vingers uitpluizen, ontwarren, bv. eenʼ knoop losmaken, of ook: al pluizende iets in de war (= ien toes = in de toeze) brengen, bv. garen of touw. Alsmede: iets zóó vastmaken dat men het moeilijk weer los kan krijgen; “omdat boudel zoo deur ʼn kander tuteld wordde.”“Grijt tuudelt sloaprg aan heur schoet.”“Zit toch nait zoo mit dien vingers te tuudln.” Oostfriesch tünteln = vlechten, knoopen, wikkelen, er zich in verwarren, ontwarren, enz.; Nederduitsch tüntêln, tündeln, Noordfriesch tontlin, strengen samenvlechten. Vgl. tuinen, omtuinen, met vlechtwerk omringen, omheinen, Oostfriesch tunen, tü̂̂nen, Oud-Hoogduitsch zûnjan, zûnan, waarvan het verleden deelwoord tuned, tûnt of tü̂̂nt luidt, kon het frequentatief tünteln, ons tuntêln opleveren, en door het uitvallen der n tutêln. Hiervan: tutelwark, tuntelwark, getutel, en: getuntel = met tutêln bezig zijn, zich met uitpluizen, enz. onledig houden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tuntelen , tööntelen , zwak werkwoord , wankelen, omvallen. Temier tööntelt het umme
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tuntelen , tuntelen , Hoetelen, talmen, iets zeer langzaam verrigten. Dit woord heeft dikwijls ook iets van ’t denkbeeld van futzelen in zig. [Tuntelen, iets doen dog niet beschikken; tuntel-werk, werk daar men niet aan schikken (vorderen) kan; tunteler, die gewoon is te tuntelen.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
tuntelen , tuentln , werkwoord, zwak , wiebelen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tuntelen , tudeln , peuteren
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
tuntelen , tuntele , werkwoord , Beuzelen, knutselen (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tuntelen , tuntelen , klungelen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
tuntelen , tunteln , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. beuzelen (dva) 2. aan elkaar prutsen, vaak met veel knopen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Hij hef alles met draod an mekaar tunteld (Oos), Zie hadden het met pakdraod vaast tunteld (Rol) 3. uit de war halen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Ik mus het mor weer oet de war tunteln (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuntelen , tuntelen , werkwoord , losjesweg praten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal