elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tweelicht

tweelicht , tweelicht , morgen- en: avondschemering; ook Overijs. Geld. Noord-Holl. Kil. Hooft Oostfr. – Neders. twelecht, Eng. twilight, AS. tweonlecht, en zooveel als: twijfellicht. Hooft: Jan Harink, die ’s morgens met de tweelicht bij de taakels van Bossuus schip opklauterde. Gron. tweilichtig = wanneer men twee lichtbronnen heeft, bv. wanneer de lamp nog brandt als het reeds begint te dagen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tweelicht , tweelichten , twieelichten , Morgenschemering.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
tweelicht , tweelicht , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , In de bouwkunde. Een raam met twee lichten of vensters die van elkaar gescheiden zijn door een kozijn. Zijn er drie zulke ramen naast elkaar, dan spreekt men van een drielicht; een enkeld raam is een eenlicht. || Noch sal men maecken int suytwest 4 tweelichten, hooch binnenswercks 3½ voet wijs binnenswercks 4 voet, Hs. bestek spinhuis (a° 1664), archief v. Assendelft. – Ook elders bekend.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tweelicht , [ochtendschemering] , tweelichten , twieelichten , Morgenschemering.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
tweelicht , tweelichten , Kiliaan heeft tweelicht, crepusculum. Wij zeggen in twee-lichten en ook in twee-donkeren voor schemer-avond. [In den tweelichten, in den twee-donkeren, entre chien et loup.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
tweelicht , tweilicht , zelfstandig naamwoord ’t , Schemer (verouderd). Het woord is een samenstelling van oudsaksisch tweho = twijfel, en licht. Vgl. Fries twiljocht.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tweelicht , twielocht , twielochten, twielicht , het , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook twielicht (wp) = periode tussen licht en donker In tweilechten kwam e der nog an (Bco), z. ook twiedonker
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tweelicht , twielochten , twielocht, tweelochten , zelfstandig naamwoord , schemering (meestal: avondschemering), bijv. tussen twielochten in de schemering
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tweelicht , tweelich , tweelicht, tweelichte, tweelichten, tweelochen , (ochtend)schemering.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal