elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: twijg

twijg , [tak] , toog , mv. teuge takken van boomen. Eig. uithalen, van togen, trekken.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
twijg , twiig , het wilgensoort om manden van te maken.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
twijg , toege , toek , tak, boomtak; Sprw. Dünner uppe kale toeg, ’t Heele jaar regen g’noeg = dondert het vroeg in ’t voorjaar, dan heeft men veel regen te verwachten. Dr. Landr. (1712) III, 85: Geene meyers mogen eenige toegen van Eiken-Bomen houwen; id. (1608) art. 43; Gron. toeg, toege, toek, toeke, ook OGron., toegen = takken; Overijs. toog, teuge = tak, boomtak. Zal een dialectverschil zijn met: twijg. Vergel. o.a. ’t Neders. tuusken, Gron. tusken, Nederl. tusschen, en ’t HD. zwischen; dwalen en dolen, enz.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
twijg , twieg , tweeën, weeën , struikgewas van de waterwilg. Die twijgjes worden veel gebruikt tot het maken van manden, het binden van daklatten, enz. Gron. wenen = loten van de waterwilg; wenebos = struikgewas van de waterwilg; Oostfr. wêne, wên, wîn; Nederd. wede, wiede, wêe, wîd, wîe, MNederd. wîde, veroud. Nederl. wijde, wije, OHD. wîda, MHD. wîde, HD. Weide, ONoorsch vîdhir = wilgenboom, wilgenstruik; Goth. widan = binden. (De vorm: wenen zal ontstaan zijn uit het meerv. van: wede).
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
twijg , twîg , (mannelijk) , twijg.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
twijg , toeg , toege, toek, toeke , tak met bladeren. Ommel. Landr. IV, 25; Old. Landr. III, 17; Dr. Landr. (1712) III, 85: toegen = takken. Drentsch toege, toek, Overijselsch toog, teuge, Friesch toeke = tak, boomtak. – toeg of toek zal een dialectverschil zijn met: twijg, Hoogduitsch Zweig; vgl. o.a. ’t Nederduitsche tuusken, Nederlandsch tusschen, en ’t Hoogduitsche zwischen; dwalen en dolen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
twijg , swieg , (Oldampt) = twijg, tak.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
twijg , toug , mannelijk , töuger , töugien , tak
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
twijg , twijg , Teen tot het manden maaken. Het verschilt van rijs alleen zo, dat het eerste éénjaarig en het laatste tweejaarig hout is. Kil. heeft beide de woorden in een algemeene betekenis, waar in wij dezelve nooit gebruiken, wanneer ze een collective beteekenis zullen hebben. Wel zeggen we rijsjen voor een dun takjen.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
twijg , took , zelfstandig naamwoord, mannelijk , teukr , grote tak
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
twijg , twieg , zelfstandig naamwoord, onzijdig , rijs
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
twijg , toeg , toek, touge , bebladerde tak
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
twijg , twiege , twijgje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
twijg , toege , toeg, toug, toek , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook toeg (Zuidoost-Drents zandgebied), toug (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe, Veenkoloniën), toek (dva) = tak Der is een toege oet de boom wèeid (Sle) *Onweer op zaoren toeg of: Een grommel op een kale toeg / Gef het hiel jaor regen genoeg (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
twijg , twieg , twiege , de , twiegen, twieën , (wp)> (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook twiege (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = twijg, rijs Ik wil nog even wat twiegen snieden (Klv), Een riesien bukkens zat an een twiegie um ze te roken (Geb), As ie de twiegen op de goeie plekke knikt, dan wordt de maande wel rond (Ruw), De veurgèvel was van waand (gevlöchten twieg, beplakt mit liem en ook wel wat uut de koegruppe der bij) (ui), Hij is zo smeu as een twiege (Die), Bugen as een twiege (Man)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
twijg , twieg , twijg
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
twijg , twieg , twijg, wilgetakken. Hele stukkn twieg verbouwt ze daor veur de zinkstukkn bie de waterwârkn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
twijg , toeke , zelfstandig naamwoord , de 1. boomtak, ook takke 2. helleveeg, bazig wijf 3. vrouw die erg bijdehand is 4. lastig kind 5. verzameling van honderd garven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
twijg , twieg , zelfstandig naamwoord , et; (verz.) twijghout
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
twijg , twiege , twieg , zelfstandig naamwoord , de; twijg
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
twijg , twiege , (zelfstandig naamwoord) , twijg.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
twijg , twieg , twiege , 1. twijg; 2. waterwilg; 3. rijshout; zo slop as een twieg(e), zeer lenig.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
twijg , twèèg , zelfstandig naamwoord , boomknop waaruit scheuten of loten te voorschijn komen; jonge tak; WBD III.4.3:127 twèèg - wilgenteen; ook genoemd: wis, baand, teen, sliet; WBD III.4.3:70 twèèg - knop waaruit een twijg groeit; ook genoemd: loot; WBD III.4.3:75 twèèg - twijg, jonge tak; ook genoemd: wis, tak, takje, teen, rijs of scheut
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal