elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: neuren

neuren , nuren , op het laatst loopen als eene dragtige koe. Isl. hnûdr, zwelling. [hnuderen, zwellen.]
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
neuren , nuren , Opzwelling van ’t uier, bij de drachtige koeien, korten tijd vóór dat ze kalven. Kilianus auctus (1642) ‘huyderen, uyeren, turgescere uberibus sive mammis. Avoir les tetines grosses, comme quand les vaches sont prestes à veller.’ Idem Drentsch en Overijselsch, vergelijk mijn Overijselsch Taaleigen in voce. Uur voor uier wordt te Breda gehoord, zie Hoeufft, blz. 628, alsmede op het platte land in Noord-Holland, alwaar ook uren gebruikelijk is, voor ‘opzwellen van den uijer bij kalfkoeien,’ zie den Navorscher, VII, blz. 321. Vergelijk ook op gier.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
neuren , nuren , zwellen der uiers bij drachtige koeien, Gron. uren; Overijs. nuren, neuren, Geld. nuren, Westf. nueren, Oostfr. üren. Volgens ten Doornkaat een van: uur gevormd werkw. gelijk: stunden, van: Stunde; tîden (berichten) van: tîd = tijd, en zooveel als: tijd en uur aankondigen dat het kalven zal plaats hebben.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
neuren , nü̂ren , (zwak werkwoord) , opzwellen van de uiers der koe.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
neuren , uren , nuren , opzwellen van den uier der koe, (enz.) in het laatst van hare dracht; anuren = het toenemen dier opzwelling of spanning, doordien de uier meer en meer met melk wordt gevuld. “Dan begint langzamerhand de buik in te zakken, de uier te zwellen, of zooals men dit met een gewestelijken term bij alle dieren noemt, het paard begint te uren.” (N.Gron.Cour. 1882.) Drentsch nuren, Overijselsch nuren, neuren, Geldersch nuren. West-Vlaamsch euren = zwellen van den uier. (De Bo). Westfaalsch nuͤren, Oostfriesch üren. Ten Doornkaat zegt, dat door dit woord, in Oost-Friesland volstrekt algemeen, bij eene hoogstzwangere koe die toestand wordt aangeduid, wanneer in de laatste dagen vóór het kalven zich een taai, geelachtig wit slijm uit de baarmoeder afscheidt en op die wijze aankondigt, dat haar uur gekomen is. Daar dit woord in sommige streken van Nederland uren luidt, acht hij het bijna ontwijfelbaar dat het een van: uur (Stunde) gevormd werkwoord is, gelijk Stunden van Stunde, en dus eigenlijk zooveel beteekent als: tijd en uur aankondigen dat het kalven zal plaats hebben. Het zou alzoo samenvallen met het van tîd (Zeit) gevormde werkwoord tîden (berichten), evenals met tîding (bericht, tijding) en in allen gevalle niets te maken hebben met jüdder (Euter), Nederlandsch uier, evenmin als het zoogenaamde üren ook lichamelijk tot Euter in eenige betrekking staat. – Ook hier is uren volstrekt algemeen, maar zouden dit toch liefst met uur (uier) in verband brengen. (Middendorp schrijft: nuren wordt gezegd van eene koe, welker uier op het laatst van hare dracht begint te zwellen: bonte nuurt reeds, begint te nuren, is an’t nuren. – Heeft hij goed gehoord, dan heeft ook hier de voorvoeging der n plaats.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
neuren , nü̂̂ren , Drachtig zijn; het tegengestelde van: gust zijn. Onze vale nü̂̂rt, is nü̂̂rend. Gron, uren – in hoogst zwangeren toestand verkeeren (van koeien).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
neuren , neuren , (zwak werkwoord, intransitief) , Een klagend, half zuchtend geluid maken, van koeien die ’s winters op stal liggen te herkauwen. || Hoor die koe ers neuren. – Neuren van drachtig vee behoort bij de onder uren II vermelde woorden. – Vgl. Ned. neuren in de zin van neuriën (VAN DALE; OUDEMANS). In Twente zegt men neurend van een schaap of geit voor drachtig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
neuren , nü̂ren , Drachtig zijn; het tegengestelde van: gust zijn. Onze vale nü̂rt, is nü̂rend. Gron. uren – in hoogst zwangeren toestand verkeeren (van koeien).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
neuren , nuuren , De koe nuurt of staat vol nuurens zeggen onze landlieden, om uit te drukken, dat ze ten eersten kalven zal. [Zoo veel te groter het geer en het vazel is, zoo veel te verder is ze met het nuuren; ze begint te nuren, ze staat vol nuurens en moet binnen 2 of 3 dagen melk worden = kalven; maannuuren: als het gier der sterken, voor het eigenlike nuren bij ’t wassen der mane groter wordt, zegt men: de sterke maannuurt, ’t is maar maan-nuuren.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
neuren , nuurn , werkwoord, zwak , in de laatste drie weken van de dracht zijn, van koeien
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
neuren , neure , werkwoord , Klagende, min of meer zuchtende geluiden maken, gezegd van koeien die op stal liggen te herkauwen. Vgl. Boek. onder neuren en zie het N.E.W. onder neuriën.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
neuren , nuren , wordt gezegd van een koe die verschijnselen vertoont van een op komst zijnde bevalling.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
neuren , nuren , nuren, enuurd , hoogdrachtig zijn van een koe.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
neuren , nèren , neuren , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, veroud.). Ook neuren (Midden-Drenthe) = rustig herkauwen met kreunende geluiden (van liggende dieren) De koenen ligt rustig te nèren (Hol), Aj dan in huus zit, heur ie op de dèle de koenen nèren (po)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
neuren , nuren , uren, neuren , zwak werkwoord, onovergankelijk , Ook uren (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe), neuren (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. zwellen van de uiers As de koe volop nuurt, kuj de melkaoren goed zien (Dwi), De koou begunt al mooi te uren, mor het duurt nog wel een dag, eer e kalven mot (Eex), Hij begunt te nuren op het gier (Hol), Het schaop nuurt al goed (Nsch), As koenen kold nuren, dan kunt ze nog wat rijzen (Zdw), z. ook volnurend 2. zeuren (Zuidwest-Drenthe, Pdh) Wat neurse no weer. Hool toch op wat zit je nu weer te zeuren (Pdh), Boer tegen koopman: Ie nuurt mar an, mar ie kalft nooit (Hav) 3. wat in zichzelf praten (Kop van Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
neuren , nönnen , (Kampereiland, Kamperveen) maken van een kreunend geluid door een koe
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
neuren , nuren , (Kampereiland, Kamperveen) opzwellen van de uiers vóór het kalven
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
neuren , nuurn , neuren, laatste stadium van het drachtig zijn van melkvee. ’n Nuurnde koe zal aover ’n paer wèèkn kalvm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
neuren , nuren , neuren , werkwoord , opzwellen van de uier tegen de tijd van het kalven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
neuren , neuren , kreunen van een koe.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal