elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vaalt

vaalt , vaalt , vaalt, mestvaalt, het vaaltgat, de plaats waar de mesthoop geleid wordt, en om dat die gewonelyk achter het boeren achterhuis geplaatst wordt heet die plaats altyd de vaalt. In de graafschap Zutphen heeft men zulke mestvaalten, niet in Drenthe.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
vaalt , vaalt , de mest welke de schaapskudde bij het beurtelingsch nachtverblijf op de graanakkers in de eschen maakt. Zij wordt te dien einde in een afschutsel van hekwerk (schaaphekken) geplaatst. Men noemt dit ook zetvaalt. Hij, op wiens grond de schapen in de hekken staan, wordt gezegd, de vaalt te hebben, ook wel: de schaaphekken krijgen. Dr. Landr. (1608) IV, 32: betuinde vaelte = erf rondom het huis gelegen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
vaalt , vaalte , (mannelijk) , meststal, vaalt.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vaalt , valte , zie: melkvaller.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vaalt , volder , (Westerwolde) = mestvolder = mestvaalt. Oostfriesch mesfolt, mesfold, Nedersaksisch faal (volgens ten Doornk. de oorspronkelijke vorm), van het Latijn palus = poel, enz., zoodat mestvolder zooveel zou zijn als: mestpoel, mestput. Vgl.: misdobbe, misdob.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vaalt , vaalt , (mannelijk) , Mestvaalt. De aa als Ned. aa uitgesproken.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
vaalt , vaalt , (mannelijk) , Mestvaalt. De aa als Ned. aa uitgesproken.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
vaalt , vaalt , hoop plaggen of mest; mestvaalt
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
vaalt , vaalt , vrouwelijk , Mest-vaalt. Een uitgeholde ruimte in de aarde, welke ieder boer bij zijn stal heeft en waar in hij zijn mest bergt. [Vaald is fem. gen.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
vaalt , vált , m , vaalt De méstvált De mestvaalt.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
vaalt , voalt , mestvaalt (ook: mesvoalt).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
vaalt , vaalt , vaolt, volt, vaalte, vaelte , de , vaalten , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook vaolt (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), volt (Kop van Drenthe), vaalte (Zuidwest-Drenthe, zuid), vaelte (Zuidwest-Drenthe, noord). Veroud. = mestvaalt De mes an de vaalte brengen (Zdw), ‘In Drenthe de mist, welke de schaapskudde, bij beurtelingsch nachtverblijf op de graanakkers in de essche, maken. Zij wordt tot dit einde in een afschutsel van hekwerk (de schaaphekken) geplaatst (...)’. Hij, op wiens grond de schapen in de hekken staan wordt gezegd de vaalt te hebben, b.v. te Zuidlaren, ook wel de schaaphekken krijgen (wp), z. ook mesvaalt
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vaalt , vaalt , vaalt
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vaalt , vaolt , vaelt , vaalt, mestvaalt. Vaolt heur iej meer dan vaelt.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal