elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: veken

veken , veken , veeken , Ook bij Kiliaan. Eene zoort van horde van takken gevlogten, die men hier veel in plaats van een hek gebruikt, als ook om voor korten tijd tot een brug over een sloot te dienen. Men zegt hier een vleken of een vlaken.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
veken , vêêke , werkwoord , vêêk, vêêkte, gevêêkt , [Whw] aangespoelde rommel opruimen Ze bin’ an ’t vêêke Ze zijn de rommel aan het opruimen Zie ook dêêke
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal