elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verplegen

verplegen , verplègen , (zwak werkwoord) , verplegen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
verplegen , verpleegen , Van alle noodwendigheden verzorgen. Weeskinderen worden in het weeshuis verpleegd. – Hoogd. Pflege, cura.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
verplegen , verpleeng , verpleeng, verpleegd , verplegen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
verplegen , verplegen , zwak werkwoord, overgankelijk , verplegen Die mut ze zo zachies an hielmaole verplegen (Koe), Dai man mot vanwege zien zaikte verpleegd worden (Git), Dat vrouwgien wil heur baos thuus verplegen (Nije), ...in hoes verplegen (Bal), (zelfst.) Verplegen is een zwaor beroep (Wsv), ...een mooi vak (Scho)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal