elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verspochten

verspochten , [door vocht bederven, verrotten] , verspochten , (zwak werkwoord) , door vochtigheid vergaan, verteren.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
verspochten , verspogten , Verstikken. Van onbezielde dingen namelijk, als van hout etc.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
verspochten , verspòchten , verspòchen , (Kampen, Kamperveen) verspochten, door vocht bederven. Ook: verspòchen (Kampereiland)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
verspochten , verspochn , door vocht bederven. ’t Zaod was lillek verspoch in dât vochtege hok.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
verspochten , verspochen , (werkwoord) , verspochen, verspocht , aangetast worden door het weer (bijv. van spiegels). Die spiegel is verspocht, döör zitt weer in.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal