elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wanken

wanken , wanken , in de zegswijs: doar wankt wat = daar zal het wat geven, ’t zal er waaien, gij zult slaag krijgen; Oostfriesch dâr schal wat wanken, of: dâr wankt wat, Deensch der vanker prygl; Saterlandsch wonkje, zooveel als: de straf staat dreigend op den achtergrond, bv. als iemand die dreigend den vinger opheft om daarmede een wenk te geven. Nedersaksisch wanken = aanwezig zijn, zich bevinden; daar wanket wat = daar is iets aan de hand; Holsteinsch da wankt nog nix = daar is nog niets te doen. – wanken, bijvorm van: wenken, uit het Oud-Hoogduitsch wanchjan, Oud-Saksisch wankëan. Zie ten Doornk. art. wanken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wanken , wanken , Wordt op sommige plaatzen ten platten lande voor gaan gebruikt.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal