elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: weep

weep , [plant uit de rozenfamilie] , wépe , wépedoorn , (vrouwelijk) , doorn, rosa canina.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
weep , weep , naam voor een paard dat wepel, weeps is. Zie: weeps.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
weep , wiepkes , voorwendsels, praatjes, gekheden, fratsen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
weep , weepe , Teen of ander diergelijk hout te zamen gebonden, om de onderste vastigheid van een wal langs een gragt enz. te maken. Fr. saucisson.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
weep , weebe , weepe, weep , 1. wesp 2. levensgevaarlijk paard
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
weep , wepe , riet op de nok van een huis.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal