elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: weerzaam

weerzaam , weerzaam , Wordt gebruikt van spijs, die schielijk tegenstaat. Ook heeft men ’t verbum weeren. Bij voorb. die kost weert mij, dat is ik kan er weinig of niet van eten zonder dat hij mij tegenstaat.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
weerzaam , weerzem , bijvoeglijk naamwoord , zich flink werend, hard werkend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal