elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wees

wees , weeze , (mannelijk, vrouwelijk) , weezen , wees.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wees , wees , (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk) , Zie de wdbb. – Zegsw. De wesies moeten vandaag maar voor ons bidden, gezegd wanneer men gaat eten zonder eerst het tafelgebed te doen. – Evenzo in Friesl. de weesjongens scille wol for ús bidde (DIJKSTRA, Uit Friesl. Volksleven 2, 291).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wees , [prieel] , wees , weesje , tuinprieel. - Ze zitte-n-in de wees. Verg. bij v. Schothorst wēšen. Verg. ook wingerdweesje (Hoenkoop, Lopikerwaard), bij De Man, Het wassende water, 2de dr., 10.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
wees , weesjen , Prieeltje, zomerhuisje. Dit woord heb ik omstreeks Elburg hooren gebruiken.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
wees , weis , zelfstandig naamwoord de , Wees(kind).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
wees , wees , weze , de , wezen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook weze (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = weeskind Hij is as weze bie heur in hoes kommen (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wees , weze , wees
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wees , weeze , weesien , wees.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wees , weesien , tuinhuisje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wees , wêês , zelfstandig naamwoord , wêêze , wêêssie , weeskind
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
wees , weze , (zelfstandig naamwoord) , wees.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
wees , wees , gang of loopruimte in een koestal, tussen *groep en buitenmuur (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
wees , weesje , weesjen, wesien , 1. tuinhuisje, prieeltje; 2. verhoging in de kelder voor berging van een en ander.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
wees , wêes , zelfstandig naamwoord , wees, kind zonder ouders
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
wees , weis , wees
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal