elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wieme

wieme , wim , wieme , de wim in de schoorsteen, een hout waaraan men vleesch worst e.z.v. te rooken hangt. Gelderl. Wieme zegt men in Drenthe; maar de wiemen is niet alleen of ook zo zeer in de schoorsteen; als wel even buiten de schoorsteen, een byzondere plaats tusschen de balken der zoldering; daar men aan houten speeten, den voorraad van vleesch; als die eerst in de schoorsteen een weinig gerookt is, ’t geheele jaar door hangen laat.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
wieme , wimme , pl. d. wiem, latwerk in den schoorsteen of tegen den zolder aan om vleesch op te droogen of te rooken. Eig. een ophangplaats, en dus oudtijds ook de galg. Scherz. wide, koord van taai twijg, strop. Vocab. Gemma 1497. “Viburnum est minuta virga qua vitis ligatur een wedeke.” Scherz. Bey der wide, op poene van den strop. Wideme toestel om aan op te hangen. Contr. wymen, galg. Pl. d. enen sien recht doon und hangen en an des koninges wymen, iemand zijn verdiende loon geven en hangen hem op aan des konings galg. Aan de wimme hangt men vleesch en worsten als dieven aan de galg. Kil. wieme, rookplaats voor vleesch. Dit is één der duizend voorbeelden hoe de taal van één punt uitgaande langs verschillende wegen op de tegenstrijdigste uitersten uitkomt. Wie zoude oppervlakkig gelooven dat de galg, een domenijshuis, en de hanglatten van het rookvleesch in het zelfde woord wedeme zouden zamenkomen? Ondertusschen is niets natuurlijker noch zekerder. Maar nog godloozer! De oude Vriezen noemen het latwerk tegen den keukens-zolder aan, waar zij hunne worsten aan hangen, de deise, en dat hebben de Franschen in hun dais tot het gehemelte van den koninklijken troon gepromoveerd!
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
wieme , wiem , wieme, wiemel , bergplaats voor gerookt spek en vleesch, plaats aan de zoldering naast den schoorsteen, van het geslachte. Gron. wiem, Overijs. wimme, wim, Geld. wimme, Oostfr. Neders. Holst. wiem, Westf. wîme. Kil. wieme, wimme = rookkamer; Teuth. wijme to vleysch. Oudfr. wimā, wi = rookhok. Van het Lat. vimen; daar wîme of wîmen in het MNederd. inzonderh. in het Holst. en Hess. ook de beteek. van: hoenderhok, enz. had, en oorspronkelijk slechts eene uit twijgen gevlochtene horde beteekende.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
wieme , wîme , (vrouwelijk) , zolder van het vertrek, waaraan het gerookte vleesch hangt; ’t spek henk in de wîme.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wieme , wiem , plaats aan den zolder, vóór den schoorsteen, waar gerookt spek, vleesch, ook wel worst, aan houten staven (spielen) worden opgehangen. – “Zekere ongehuwde daglooner K.K. keerde om 10 uur huiswaarts, toen hij ontdekte, dat er uit zijn wiem een aanzienlijke hoeveelheid spek vermist werd.ˮ (Noordbroek 1875.) Drentsch wiem, wieme, wiemel = bergplaats voor gerookt spek en vleesch, plaats aan de zoldering, naast den schoorsteen, van het geslachte; Overijselsch wimme, wim, wumme = ophangplaats bij den schoorsteen; Geldersch wimme, Oostfriesch wîme, wîm = latwerk, enz. voor het ophangen van vleesch, spek en worst; hê hed ʼn gôden wîm ful flês un spek; Lüneburg wieme = latwerk aan den zolder om worsten te drogen; Middelvlaamsch wijm, Middel-Nederduitsch wîme, wîmen; Holstein, Hessen wîme, enz. ook = kippenrek; Westfaalsch wîme, Kil. wieme, wimme, wijme = rookkamer; West-Vlaamsch wime = wilgen twijg. Teuthonista wyme to vleysch; Oud-Friesch wima, wi = rookhok. Van ʼt Latijnsche vime = teen, twijg, wilgentak, traliewerk van teenen. Zuid-Nederlandsch wijm = waterwilg. (v. Dale: wieme = rookhok, deel van eenen schoorsteen, bestemd om er vleesch in te rooken; plaats aan den zolder waar het gerookte vleesch hangt. – Komt niet voor bij de Vries en te Winkel.) Vgl. Zeeman bl. 84.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wieme , wimme , (mannelijk) , Plaats aan den zolder om spek, worst, ham enz. op te hangen aan de spîlen. Zie dat woord.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
wieme , wimme , (mannelijk) , Plaats aan den zolder om spek, worst, ham enz. op te hangen aan de spîlen. Zie dat woord.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
wieme , wimme , weeme , vrouwelijk , rek aan de zolder, waaraan spek, worst etc. hangt, gerist aan een stok of lat (spiile); zie ook: weeme
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wieme , wimme , wieme , Juist als bij Kiliaan, de plaats, daar ’t gerookte vleesch opgehangen wordt.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
wieme , wieme , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , gedeelte van de zoldering van een boerenkeuken, ingericht om de vlees- en spekvoorraad op te hangen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
wieme , wiem , wieme , plaats aan de zolder waar men de slacht aanhangt
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
wieme , wieme , wimme , plaats aan de zoldering in de buurt van een schoorsteen om vlees op te hangen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
wieme , wieme , wimme , plaats aan de zoldering waar het vlees werd opgehangen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
wieme , wiemel , wiem, wieme , de , wiemels , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook wiem (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), wieme (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Midden-Drenthe) = 1. plek aan de zolder, waar men aan een latwerk tussen de balken spek, worst en ham te drogen hing Wij moet de slachterij neug in de wiemel hangen (Sle), In de wiemel hangt de worsten en het spek en niet te vergeten de schinken en de ribbegies (Ruw), De schinken hangt an een haok in de wiemel (Eex) 2. plaats in de schoorsteen, waar het vlees en spek gerookt of geborgen wordt (wp)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wieme , wimme , stok tussen twee balken waaraan de gerookte slacht werd gehangen om te roken
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wieme , wimme , deel van de zolder waar de gerookte vleeswaar hangt.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wieme , wieme , fieme, wume , zelfstandig naamwoord , de; wieme, plaats waar vlees, worst, spek, paling wordt gerookt, vooral in open deel van de schoorsteen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wieme , wim , wimme, wieme, wiem, wimmel , vroeger (meest in boerderijen) de plaats aan het plafond, tussen de balken, waar het spek, de worsten e.d. hingen; wimmegavel, grote vork om vlees, spek of worsten mee uit de wimme te halen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal