elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wede

wede , weeën , wenen , teenen van wilgen, twijgen, takken; Gron. wenen, loten van de waterwilg; Oostfr. wene, wên, wîn (niet zoo gebruikelijk als: wilge); uit het meerv. van het Nederd.: wede, wiede, wêe, wîd, wîe, MNederd. wîde, Westf. wîe, wîde, veroud. Nederl. wijde, wije, OHD. wîda, MHD. wîde, HD. Weide (= Salix), ONoorsch vîdhir (wilg), met het Lat. vitis en vimen enz. tot den wortel: vi = vlechten, binden, weven, behoorende. Zie ten Doornk. i.v. wene.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
wede , [twijg of band om mee te binden] , wéde , wéden , teen of band om mee te binden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wede , weede , (vrouwelijk) , weede, salix viminalis.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wede , wije , wee , (vrouwelijk) , wijen, weeën , twijg. Salix. z. Nom. geogr. Neerl. III, 359.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wede , wenen , teenen, loten van de waterwilg. Drentsch weeën, wenen = teenen van wilgen, twijgen, takken; Oostfriesch wene, wên, wîn (minder gebruikelijk dan: wilge). Uit het meervoud van het Nederduitsch wede, wiede, wêe, wîd, wîe, Oud-Hoogduitsch wîda, Middel-Hoogduitsch wîde, Middel-Nederduitsch wîde, Westfaalsch wîde, Hoogduitsch Weide, Oud-Noorsch vîdhir (wilg), met het Latijn vitis, en: vimen, enz. tot den wortel: vi = vlechten, binden, weven, behoorende. Kil. wede (verouderd) = twijg, wilgentwijg om te vlechten. Zie ten Doornk. art. wene. Vgl. Wiede.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wede , wee , wiee , Wilgenteen om boonenstokken, leiboomen enz. te binden.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
wede , wiede* , Hoogduitsch: Wiede = dunne wilgentwijg, Weide = wilgenboom; vgl. wenen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
wede , wee , wiee , (mannelijk) , Wilgenteen om boonenstokken, leiboomen, enz., te binden.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
wede , wiê , Volgens de uitspraak, bij contractie voor wiede, teen met een oog, waar mede men takkenbosschen enz. zamenbind. Dewijl de takken van den wilgeboom hier toe veel gebruikt worden is de Etijmologie ligt op te maken. Zie Kiliaan op widde. In Munsterland zegt men nog wiede voor wilge. Wiede is bij Kiliaan vimen en funis. De zin waar in wij wiê gebruiken voegt beide beteekenissen te zamen, want wij nemen ’t voor een teen, welk en in plaats van een touw gebruikt, om hout enz. zamen te binden.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
wede , ween , weene , 1. wilg 2. buigzaam takje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
wede , ween , wene, wede, wee , de , wenen, wene, weeën , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook wene (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe), wede (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), wee (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, hy) = wilgenteen Wenen waren dei twiegen, woor ze de korven van meuken (Bco), As der hier vrouger bessems maokt wörden, mössen der eerst weeën spleten worden (Pei), Ik wol eerst nog even wat weden snieden (Vri), De wene even splötten (Pdh), Zo buugzaom as een wene (Vtm), Slap as een wee (wb), (...) zo smeu as een wee (And), z. ook wede, weme II
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wede , weme , de , wemen , (Zuidwest-Drenthe, noord) = bandgarde, z. ook ween
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wede , wee , wede, wiede, wie , zelfstandig naamwoord , de; dunne, soepele twijg waarmee men takken bindt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wede , wieje , wilgetenen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal