elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zijl

zijl , ziel , in geschrifte zijl, bij v. Dale = afloop van water, waterloozing, vooral in Friesland en Groningen. ‒ Wij verstaan daaronder: sluis, die het water rechtstreeks in de Wadden, den Dollert, de Eems, De Westerwoldsche A of het Reitdiep ontlast, die het verder naar zee voeren. De nieuwe verkrijgen alle den naam van sluus = sluis. Zoo hebben wij de Wetsingerzijl, Schouwerzijl, Schaphalsterzijl, Houwerzijl, Kommerzijl, Aduarderzijl, Statenzijl, de Delfzijlen, Termunterzijl, Noordpolderzijl, en de plaatsnamen: Delfzijl, Termunterzijl, Niezijl, Pieterzijl, Kommerzijl, Oldenzijl, Aduarderzijl, enz.; Zijldiep, vaart tusschen Scheemda en Termunterzijl. Eene boerderij onder Warfum, waar oudtijds eene sluis in den Ouden Dijk lag, heet Zijlemaheerd. Voorts nog de familienamen: Houwerzijl, Zijlma, Zijlema, van Zijl, Zijlstra, Zijlker, enz. Vergelijk de uitdrukking: ’t is net of wie in ’n ziel zitten = het tocht hier geweldig. Friesch sijl = waterleiding, waterlossing, sluis; daarvan: Muntjesiel (Munnikezijl), Ezumasiel (Etumazijl), de Dokkummerzijlen, de Bildtzijl, enz.; Overijselsch ziel = sluis, nog in Blokzijl, enz.; Kil. sille, syle (Holl. Fris.), sulle; Oostfriesch sîl = sluis tot lossing van heet binnenwater; Nedersaksisch siel = een onder een’ dam doorgaand kanaal dat het overtollige water in zee of in eene rivier ontlast; de kleine sielen zijn van ééne valdeur voorzien (en dus gelijk ons pomp), de grootere met twee zware vleugeldeuren die, door den aandrang van het binnenwater opengaan, en bij het opkomen van den vloed of door den hoogen stand van het buitenwater zich sluiten, (dus ons ziel en klief of klieve beide); Holsteinsch siel = groote waterloozing; Oud-Friesch sil = waterleiding, sluis. Vgl. Engelsch sile, Noorweegsch, Zweedsch sila = zijgen, doorzijgen, Noordfriesch silin = zeer sterk doorsijpelen, met het Nederduitsche sîjen, Middel-Nederduitsch sîen, sîhen, sîgen, Angel-Saksisch sîhan, Oud-Engelsch sîhen, Oud-Noorsch, IJslandsch sîa, Oud-Hoogduitsch sîhan, Middel-Hoogduitsch sîhen, seihen = zijgen, en het Oud-Saksisch sîgan = zacht neerzinken, droppelend nedervallen, alsmede het Oud-Hoogduitsche sîhte (ondiep), Oud-Hoogduitsch, Middel-Hoogduitsch seich = urine, van denzelfden wortel. Zie ten Doornk. artt. sêjén, en: sîl.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
zijl , zijl , sijl , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast sijl. In verkl. zijltje. Zie de wdbb. Kleine brug bestaande uit twee of drie aaneengetimmerde planken, die over een waterverlaat wordt gelegd en weggenomen kan worden als er een schuit passeren moet. Synon. post I. Het woord is vooral gebruikelijk te Oostzaan en Zaandam. – In de gewone zin van waterverlaat is zijl te Assendelft gebruikelijk. || Heulen, duikers, zijlen an andere (kunstwerken in de wegen), Keur v.d. polder Assendelft (a° 1894). Zie nog een aanhaling op zijp. – Zo ook elders in N.-Holl., reeds in de middeleeuwen. || Item, van den broec an vier campen te delfen ende ien sijl voir dat huis te Herghen te legghen 6 pond, Rek. v. Egmond f° 162 v° (a° 1401). – In Friesl. en Gron. vooral in de bet. van sluis; zie MOLEMA 485 b.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
zijl , ziil , onzijdig , sluisje van opstaande planken
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
zijl , ziel , zijl , Dus wordt in dat gedeelte van Overijssel aan Friesland grensende en doorgaans ook in Friesland een sluis genaamd. Kiliaan heeft sijle, sille: holl. fris. incile, aquagium, cataracta.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
zijl , ziele , de , zielen , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. houten duiker Het zielegie onder de stege is verstopt (Ruw), Daor mut een zielegie onder die dam deur (Pes) 2. sluisje, stuw (Zuidwest-Drenthe, zuid, db:Dwij en Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zijl , ziel , (zelfstandig naamwoord) , (verouderd), zijl, sluis.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
Zijl , Ziel , (zelfstandig naamwoord) , ‘t Ziel, de sluis Het Zijl aan de Pannekoekendijk.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal