elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zuip

zuip , te zoep en te bijt liggen , Een spreekwijs die in ’t Kwartier van Vollenhove bekend is en van een land of weg gebruikt wordt, die
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
zuip , zuup , Án de zuup zien (Aan de drank zijn.) alcoholist zijn.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
zuip , zoep , de , Var. als bij zoepen = 1. drank, zuiperij Lestdaags was hij aordig an de zoep (Nsch), Jan is deurlopend an de zoep (Vtm) 2. in te zoep en te biet liggen nutteloos, gezegd van hooilanden (ndva), ook Het laand lig te zoep en te zompe (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
zuip , zoep , (Gunninks woordenlijst van 1908) dorst
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
zuip , zoep , zelfstandig naamwoord , de; zuip, in te zoep en te biet gezegd van drassig land, land dat voortdurend onder water staat
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zuip , soepe , zelfstandig naamwoord , de; karnemelk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
zuip , [drank] , zuuep , (mannelijk) , drank , Ane zuuep zeen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal